Tekstgrootte:  Klein  Middel  Groot
Vaders gezin, moeders verantwoordelijkheid (tekst)
Vaders gezin, moeders verantwoordelijkheid
Opvoedingsvoorlichting in Nederland over moeders en vaders, 1945-1995 [1]
Janneke Wubs
Inleiding
Een beetje zwanger, handboek voor vaders is de titel van een van de eerste Nederlandse opvoedingsboeken speciaal voor vaders. Arend van Dam publiceerde het in 1983. Hij vertelt vaders hoe ze zelf hun baby kunnen verzorgen en bespreekt eigen en andermans ervaringen met het 'vaderen'. Na Een beetje zwanger volgden meer 'vader-boeken'. Tot die tijd kwam kennelijk niemand op het idee voor vaders opvoedingsadvies te schrijven. Het opvoedingsadviesgenre was vooral leesvoer voor moeders. Ook in wetenschappelijk onderzoek lijkt vaderschap pas recent ontdekt. Onderzoek naar gezinsopvoeding hield tot voor enkele jaren vooral onderzoek naar opvoedingsgedrag van moeders in (Dekovi´c & Rispens, 1998). Theorievorming concentreerde zich eveneens rond de moeder-kind relatie. Het ideaal van 'sensitief responsief ouderschap' dat voortvloeide uit de vanaf de jaren '70 in Nederland breed opgeld doende attachmenttheorie, betekende in feite een opdracht tot sensitief responsief moederschap. Moeders rol gold als bepalend voor de ontwikkeling van het kind (Doornenbal, 1996).

Onderzoek naar opvoedingsgedrag beschrijft veranderingen in de rol van zowel moeders als vaders. Van Setten (1987) onderzocht de ontwikkeling van 'affectief opvoedingsgedrag' van Nederlandse ouders in de afgelopen eeuw. Hij constateerde daarin een geleidelijke toename, die bij moeders sneller verliep dan bij vaders. Du Bois-Reymond et al. (1990) betogen dat moeders een 'schakelgeneratie' vormen in de overgang van bevel naar onderhandeling in de opvoeding.[2] Deze moeders zijn in de jaren '60 onder een 'bevelsregime' grootgebracht en voeden hun kinderen anno 1990 op in een 'onderhandelingshuishouding'. Du Bois-Reymond c.s. verwachten dat de zoons van deze moeders, wanneer zij vaders zijn geworden, eenzelfde schakelfunctie zullen gaan vervullen.

Ook wat betreft beelden en idealen van ouderschap zijn veranderingen geconstateerd. Knijn en Verheijen (1988) en Knijn en Nievers (1996) beschrijven een tendens tot 'individualisering' van het moederschap. Het beeld van moederschap dat uit Nederlandse damesbladen naar voren kwam verschoof in de periode 1960 tot 1990 van een vanzelfsprekend en in de uitvoering eenduidig moederschap naar moederschap dat motivatie vergt en inhoudelijk door moeders zelf kan worden vormgegeven. Opvattingen van hierover ondervraagde moeders in de jaren '80 sloten goed aan bij deze tendens (Knijn & Verheijen, 1988). Door Doornenbal (1998) geïnterviewde vaders die, anders dan hun eigen vaders, geen traditionele gezagsvaders willen zijn, beschouwen het 'autoritatieve' vaderschap als ideaal: een stijl die traditioneel gezag met ondersteuning combineert. Doornenbal noemt als meest opmerkelijke ontwikkeling in het vaderschap in de afgelopen decennia de veranderende gezagsfunctie van vaders. Was voorheen de taak van de vader zijn gezin op orde te houden door het te voorzien van een inkomen en te beschermen tegen 'de buitenwereld', tegenwoordig wordt van vaders verwacht dat ze betrokkenheid tonen bij de opvoeding en zorgzame, affectieve relaties ontwikkelen met hun kinderen. Knijn (1994) spreekt in dit verband over 'nieuwe eisen' die door moeders én deskundigen aan vaders worden gesteld.

Onderzoekers merken dus op dat ouders meer affectief en onderhandelend zijn gaan opvoeden, waarbij moeders een voortrekkersrol spelen. Bovendien constateren zij dat de verwachtingen ten aanzien van de inbreng van vaders in de opvoeding zijn toegenomen. Het zwaartepunt van deze veranderingen wordt veelal in de jaren '70 gelokaliseerd. Belangwekkend is dat onderzoekers - naast veranderingen in de opvoedingspraktijk - vooral veranderingen zien in de opvattingen over ideaal ouderschap. Het zijn idealen en verwachtingspatronen die zich het sterkst wijzigen.

Idealen en ook de rollen die aan vaders en moeders worden toegedacht treft men aan in opvoedingsadviesliteratuur. Opvoedingsvoorlichting is bij uitstek normstellende lectuur. Middels hun adviezen pogen deskundigen ouders op de hoogte te stellen van hun opvoedingsopvattingen en - vaak expliciet - de ouders voor hun inzichten te winnen en zodoende hun opvoedingsgedrag te beïnvloeden. Als zodanig zegt adviesliteratuur niets over ontwikkelingen in de omgang tussen ouders en kinderen of over de eventuele invloed die deze advisering op lezers uitoefent. Wel kan analyse van opvoedingsvoorlichting laten zien of in de opvattingen van opvoedingsvoorlichters gelijksoortige verschuivingen optreden als die welke onderzoekers in de praktijk van de gezinsopvoeding hebben waargenomen. Wat werd er van moeders en wat van vaders verwacht? Veranderden de idealen die hen werden voorgehouden? In het vervolg van dit artikel worden deze vragen beantwoord voor de naoorlogse periode.

Een selectie van ruim 120 in Nederland uitgegeven opvoedingsadviesboeken uit de periode 1945 tot 1995 is geanalyseerd. Boeken of series zijn gekozen die zichzelf als opvoedings-'handleiding' voor ouders presenteren en pretenderen de 'gehele opvoeding' te behandelen. De selectie is gelijkmatig verdeeld over de te onderzoeken periode en naar rato over nationaliteiten van auteurs. Per auteur werd niet meer dan één titel gekozen, zoveel mogelijk zijn eerste drukken bestudeerd.[3] De verwachting bij deze analyse was dat overeenkomstig de bevindingen in gezinsonderzoek veranderingen zouden zijn opgetreden in de opvattingen van voorlichters over de taak en rol van vader en moeder in de opvoeding. Verwacht werd dat voorlichters in deze periode steeds meer taken voor vaders in de opvoeding zouden zien en dat er in verband hiermee sprake zou zijn van afnemende verschillen tussen de eisen gesteld aan moeders en aan vaders.

Moeders taak met vaders hulp
De visie op het ouderschap die in opvoedingsvoorlichting uit de jaren '50 en '60 verwoord wordt, is in twee vergelijkbare 'stromingen' te vatten. De selectie valt in dit opzicht uiteen in oorspronkelijk Europese en oorspronkelijk Amerikaanse boeken.

Nederlandse opvoedingsvoorlichting uit de eerste naoorlogse jaren ademt een zorgelijke sfeer. Auteurs schetsten een verloederende samenleving. De oorlog had de mensen het 'eerlijk duurt het langst' hardhandig afgeleerd en de veiligheid van en binnen het gezin tot de grond toe afgebroken (Van Andel-Ripke, 1945). Toch gold het gezin als de plaats waar moreel en moraal hersteld zouden moeten worden. Opvoeding was de enige remedie. 'Zijn de gezinnen gezond, dan is de volksgemeenschap dat vanzelf' (Rutten & Carp, 1948, p. 3-4). Ook na 1950, toen de oorlog niet langer als directe aanleiding van problemen werd genoemd, bleef de bezorgde toonzetting. Opvoeding van kinderen werd als zware verantwoordelijkheid en als bijzonder moeilijk gekenschetst. Auteurs vroegen zich in gemoede af of ouders op deze taak wel berekend waren. Kennis opdoen achtten zij nodig, intuïtie was nuttig maar onvoldoende om een goede opvoeding te kunnen waarborgen. De voorlichters - veelal psychiaters, psychologen en pedagogen - propageerden enthousiast kennisname van psychologische ontwikkelingstheorieën. Maar belangrijker nog dan de theoretische voorbereiding was de persoonlijkheid van de opvoeder. 'Geestelijke rijpheid' was nodig om verzamelde kennis ten nutte te kunnen maken. Als belangrijkste opvoedingsmiddel gold het vóórleven van de waarden die men kinderen wilde meegeven. Aan ouders stelde dit hoge morele eisen. Auteurs vreesden dat slechts weinigen het benodigde niveau van volwassenheid bereiken en wilden daarom ouders 'een levenshouding leren'. Voortdurende zelfopvoeding was nodig: 'Besef, dat de echte opvoeder zonder ophouden zichzelf vervolmaakt om te vervolmaken wie aan hem werden toevertrouwd' (Chorus, 1947, p. 9).

Voorlichters richtten zich met deze boodschap tot moeders én vaders. Beide ouders waren nodig in de opvoeding. Ofwel omdat God het huwelijk had ingesteld om samen nieuw leven in goede banen te leiden, ofwel, meer psychologisch geredeneerd, omdat twee ouders van verschillend geslacht nodig waren in verband met de identificatie van de kinderen. Eensgezind en met vertoon van wederzijdse achting moesten vader en moeder de opvoeding ter hand nemen. De aan elk van beiden concreet toegedachte taak liep echter nogal uiteen.

De gezinssituatie werd in de jaren '50 en '60 op vanzelfsprekende wijze beschreven als die waarin moeder thuis voor de kinderen zorgt en vader overdag als kostwinner van huis is. Zodra de dagelijkse omgang met de kinderen ter sprake kwam werden moeders aangesproken. Tot de vader werd vaak een speciaal woordje gericht. Hij werd aangespoord zijn verantwoordelijkheid als vader op zich te nemen: kinderen hebben beslist een vader nodig, hij moet meer zijn 'dan de man die bij ons aan tafel eet' (Foppema et al., z.j., p. 245). Maar de invulling van die verantwoordelijkheid bleef vaag. Concrete adviezen voor vader hadden voornamelijk betrekking op zijn relatie met moeder. Tijdens de zwangerschap moet vader met zijn vrouw alvast een gunstig opvoedingsklimaat scheppen en haar helpen innerlijke rust te vinden door zijn 'begrip, trouw en toewijding' (o.a. De Kok, z.j., p.63). Baby's zullen vaders invloed vooral ondergaan via de rust of gespannenheid die moeder uitstraalt als gevolg van de goede of minder goede verhouding met haar man. De directe omgang van de vader met zijn kind achtte men belangrijker naarmate het kind ouder wordt. Voorlichters vonden het dan ook lovenswaardig als vader nu en dan iets met zijn kinderen onderneemt of een verzorgende taak uitvoert, maar noodzaak was dat niet. Vaders verantwoordelijkheid was 'ervoor te zorgen dat moeder helemaal in haar taak van moeder op kan gaan' (Knoop, 1962, p. 102). Als belangrijkste argument voor vader om opvoedingsadviezen te lezen gold dat hij met zijn kennis moeder beter zou kunnen ondersteunen in de opvoeding. Die steun hadden moeders namelijk hard nodig.

Moeder heeft, zo werd gesteld, per definitie een zeer bijzondere relatie met haar kinderen. 'Zij drukt een stempel op het kind dat het nooit meer zal verliezen' (Hart de Ruyter, 1959, p. 6). De hoge eisen die voorlichters stelden aan de persoonlijkheid van ouders, golden voor moeders dus eens te meer. Nu hebben moeders, aldus de meeste voorlichters, van nature eigenschappen die hen geschikt maken voor het moederschap. Zij zijn, vrouw zijnde, gericht op het welzijn van anderen en in staat 'zich zonder voorbehoud te geven aan hun taak'. Zij houden van hun kinderen en kunnen zich (beter dan vaders) in hen verplaatsen. 'Dat wat er is tussen moeder en kind is nooit op te roepen of aan te kweken' (Heyster, 1957, p. 106). Kinderen hebben recht op deze moederliefde en hebben deze ook nodig. Dezelfde hooggeprezen moederliefde echter zorgde ook voor problemen. Auteurs betoogden dat moeders toegeeflijk zijn en hun kinderen moeilijk kunnen loslaten. Zodoende veroorzaken ze zelf nogal eens gedragsmoeilijkheden bij hun kinderen. Zo worden volgens sommige voorlichters de meeste eetproblemen van kinderen veroorzaakt door moeders overbezorgdheid. Om het gevaar van een mislukte opvoeding te bezweren vaardigden voorlichters een onafzienbare rij ge- en verboden uit waaraan moeders zich moesten houden. Veelal komen deze erop neer dat moeders hun emoties, van positieve of negatieve aard, moeten beheersen. 'Als Moeder gaat schetteren, kan zelfs Vaders trouwe steun haar niet meer redden' (Mosimann, 1959, p. 29). Gevoel en begrip moeten spaarzaam gedoseerd worden: 'teder, maar niet te sentimenteel' (Dreikurs, 1948, p. 30). Moeders moeten rustig zijn, kordaat en consequent. Toewijding en opoffering aan de belangen van het kind staan altijd voorop.

De paradox was complex: een moeder moet zichzelf zijn in haar moederschap omdat ze met heel haar wezen moeder is en tegelijkertijd moet zij van zichzelf afzien om dat moederschap goed te kunnen vervullen. Uit de voorlichting moet ze leren hoe ze haar 'instinctieve' moederliefde zou kunnen veranderen in een 'veredelde, zuivere en verstandelijke' moederliefde.

Vaders werden beschreven als minder geneigd fouten te maken dan moeders. Voor een deel ligt dat aan het feit dat vaders weinig taken toebedeeld kregen en dus minder gelegenheid hadden om fouten te maken. De weinige uren dat vaders thuis zijn, kunnen ze een frisse wind door het huis doen waaien, doordat ze niet vermoeid zijn van huiselijke beslommeringen. Maar er is meer. Een vader kan, man zijnde, nu eenmaal beter dan moeder de benodigde afstand nemen. Hij heeft niet die (te) sterke binding met de kinderen en evenmin dat emotionele karakter. Hij kan bij uitstek de zaken die moeder verontrusten relativeren en oplossen. Hem werd geadviseerd loyaal te zijn met moeder, haar niet te corrigeren, maar met haar in overleg te treden, liefst in afwezigheid van de kinderen. Hij moet zijn functie als hoofd van het gezin rustig en met enige afstand vervullen. Zo kan hij mild, wijs en vriendelijk leiding geven.

Toch had ook vader zijn fouten. Dat waar moeder sterk in is: opofferingsgezindheid ten bate van haar gezin, vormt precies het terrein waarop vaders tekort kunnen schieten. Desinteresse, vluchten in zijn werk, tiranniek gezag uitoefenen dat op eigen gemak is gericht in plaats van op het belang van de kinderen en het ondergraven van moeders moeizaam opgebouwde discipline door niet met haar één lijn te trekken, dat zijn de valkuilen waarvoor vaders werden gewaarschuwd. Zo blijkt ook hier de sterke eigenschap van de opvoeder, in dit geval het afstand kunnen nemen, meteen de zwakte.

Gevoelens van ouders
Tot nu toe is de kijk op ouderschap van Nederlandse en andere Europese adviesschrijvers besproken. De - al dan niet bewerkte - vertalingen van Amerikaanse opvoedingsadviesboeken presenteerden in deze periode een enigszins andere visie op vaders en moeders als opvoeders.

Het bekendste Amerikaanse boek is het tussen 1950 en 1995 in meer dan 40 Nederlandse drukken verschenen Baby- en Kleuterverzorging van Benjamin Spock.[4] Hij hield er in de eerste Nederlandse uitgave van zijn werk dezelfde mening over de taakverdeling tussen vader en moeder op na als de meeste Europese auteurs. Spock vond de vader een belangrijk personage in de opvoeding: 'Hij moet dus al bij de aanvang een echte vader voor hen zijn'. Meer concreet hieromtrent werd Spock niet. In ieder geval wilde hij niet de indruk wekken dat het noodzaak zou zijn dat een vader dagelijkse opvoedingstaken op zich neemt: 'Natuurlijk bedoel ik niet dat de vader evenveel flessen moet geven of luiers moet aandoen als de moeder. Maar hij hoeft zich zeker niet te generen deze dingen zo nu en dan ook eens te doen... Natuurlijk zijn er vaders, die bij de gedachte alleen al dat ze ook voor de baby zouden zorgen, kippenvel krijgen, en het heeft geen zin te trachten hen daartoe te forceren' (p. 25). Deze mening werd gedeeld door andere Amerikaanse auteurs: moeders zijn verantwoordelijk, als vaders hen bij de dagelijkse bezigheden helpen is dat eerder gunst dan plicht.

De boodschap over hoe vaders en moeders zouden moeten zijn is in de Amerikaanse boeken echter anders dan in de Europese. Stelden de Europese auteurs vooral morele eisen aan ouders, de Amerikanen besteedden aandacht aan de emotionele aspecten die ouders zelf aan het opvoeden ondervinden. Gevoelens van moeders hebben bij de Europese auteurs eerder een destructieve werking. Ze zijn strijdig met het opofferen van jezelf aan het belang van het kind en moeten dus beheerst worden. Alleen wanneer het belang van het kind dat eist, kan er aan persoonlijke behoeften van ouders tegemoet gekomen worden. Zo was het advies aan moeders om zich af en toe te ontspannen vooral bedoeld om te waarborgen dat moeders hun opgewekt humeur en opofferingsgezindheid ten aanzien van de kinderen op het vereiste niveau zouden kunnen houden (De Vries, 1960). Amerikaanse auteurs daarentegen maakten gevoelens en persoonlijke behoeften van ouders stukje bij beetje tot een legitieme factor in de opvoeding. Ilg en Bates Ames (1955) wijdden speciale paragrafen aan hoe prettig of moeilijk kinderen in bepaalde leeftijdsfasen voor ouders kunnen zijn. Spock nam vanaf 1959 stukjes op over gevoelens van ouders. Hij besteedde aandacht aan uiteenlopende gevoelens van ouders ten opzichte van verschillende kinderen, aan gevoelens van ontevredenheid en wrevel over kinderen, en aan schuldgevoelens over het opvoeden. LeShan ging in 1966 verder door te stellen dat moeders naast hun kinderen ook zichzelf belangrijk moeten vinden en trouw moeten zijn 'aan hun eigen ik' (p. 193).

Doordat aan gevoelens en behoeften van ouders bestaansrecht werd toegekend, kon in de voorlichting tevens ruimte ontstaan voor de behoefte van moeders tijd te besteden aan zaken buiten hun gezin. Spock schreef in 1950 dat betaald werk buitenshuis voor moeders een uitzondering moet blijven. Hij betoogde dat wanneer een moeder zich realiseert hoe onnoemelijk veel moederlijke zorg voor een kind betekent, en hoe waardevol het opvoeden van kinderen tot 'nuttige, sociaal gezinde medemensen' is, ze vast het extra geld dat ze kan verdienen of de bevrediging van het werk buitenshuis niet meer zo belangrijk zal vinden (p. 374-375). Het standpunt van Amerikaanse auteurs hieromtrent veranderde langzamerhand. Bettelheim (1965) zag het nemen van 'een baantje' als nuttige mogelijkheid voor moeders die zich opgesloten voelen met hun kinderen en ook LeShan (1966) brak een lans voor de werkende moeder.

Buitenshuis werken van moeders was in Europese opvoedingsvoorlichting uit deze periode een onderwerp dat nauwelijks bespreking kreeg. Moeder moet met heel haar wezen moeder zijn, en dat kan slechts betekenen dat zij aan dat moederschap haar hele bestaan wijdt. Werd er wel over geschreven dan vonden voorlichters dat moeders, tenzij het werken om financiële redenen strikt noodzakelijk was, zich er verre van dienden te houden. Werkt een moeder, dan is het van extra belang dat zij de zorg voor haar gezin tot in de finesses in orde heeft (bijv. De Boer, 1948; Ell, 1973; Knoop, 1962).

Europese opvoedingsvoorlichting stelde in de eerste naoorlogse decennia over het algemeen hoge morele eisen aan de persoonlijkheid van vaders en vooral moeders. Beiden hadden zij hun zwakheden, die zich wreken op het karakter van de kinderen. Moeders vrouwelijke zwakheden lieten haar het kind bederven, de combinatie van vaders mannelijke autoriteit met zijn egoïsme kon hem verleiden zijn gezag tot willekeur te laten verworden. Ook Amerikaanse voorlichters gingen bij hun advisering omtrent de taakverdeling uit van het 'kostwinnersmodel', maar hun benadering van het ouderschap was vooral psychologisch georiënteerd. De stijl en boodschap van de Nederlandse voorlichters bleven lang vrijwel ongewijzigd. 'Klassiekers' werden vele malen herdrukt, er kwamen weinig nieuwe namen in het schrijversbestand.

Opvoeden kan iedereen
In de jaren '70 verandert het schrijven over moeders en vaders. Nieuwe boeken verschenen, Europees en Amerikaans, waarin auteurs niet langer expliciet ingingen op de taak en de capaciteiten van elk van beide ouders in het gezin. Deskundigen pasten professionele principes uit leerpsychologische theorieën en therapeutische praktijken toe op de omgang van ouders met kinderen. Allerlei varianten van gesprekstechnieken en leer- en gedragsprogramma's werden aangeprezen. Het aloude devies van 'voorleven' werd vervangen door een aantal vaardigheden die ouders kunnen leren gebruiken, mits ze de aanwijzingen stipt volgen. Auteurs waren optimistisch over de mogelijkheden van ouders om problemen met kinderen met behulp van de voorgeschreven 'technieken' op te lossen. In zo'n benadering is de persoon van de opvoeder, man of vrouw, irrelevant. De juiste aanpak is onafhankelijk van de persoon die de strategie toepast. De boodschap is: opvoeden kan iedereen.

Waren de uitgesproken opvattingen over onderscheiden rollen van vader en moeder vrijwel verdwenen, impliciet valt veel te ontdekken over het ideale gezin dat opvoedingsvoorlichters zich voorstelden. In deze boeken werd veel gebruik gemaakt van voorbeelden om de methoden te verduidelijken. In zulke voorbeelden werd een gezin geschetst dat in een conflictsituatie rondom een kind is verzeild geraakt. Vrijwel steeds komt uit deze voorbeeldsituaties het vertrouwde beeld naar voren: vader afwezig, moeder die de zaak moet oplossen. Dit uitgangspunt was ook voor deze auteurs kennelijk vanzelfsprekend. In de gevallen waarin auteurs zo'n situatie expliciet verantwoordden, gaven zij als motivatie dat zij zoveel mogelijk poogden aan te sluiten bij wat gangbaar was. Moeders wordt af en toe aangeraden met vader de methode en haar vorderingen ermee te bespreken, omdat beiden één front moeten vormen wil de techniek slagen en omdat moeder nu eenmaal meer gelegenheid krijgt te oefenen met de nieuwe opvoedprincipes (bijv. Van Leuven & Wassenaar, 1977; Van Londen et al., 1979).

Naast dergelijke gedrags- en therapeutisch georiënteerde boeken bleven in deze periode de boeken met meer algemene raadgevingen verschijnen, zij het minder in getal. Deze boeken gingen onveranderd over moeders als opvoedsters en waren vooral aan moeders gericht. Zoals eerder in Amerikaanse voorlichting gebeurde, begonnen nu ook Nederlandse auteurs aandacht te schenken aan de emoties van moeders. Zo schreef Rita Kohnstamm (1973) over een moeder die, in weerwil van wat er over moederliefde wordt beweerd, helemaal geen liefde voor haar pasgeboren kind voelt. Het feit dat dit gegeven voor de auteur geen aanleiding vormde een negatief oordeel over de beschreven moeder uit te spreken lijkt typerend voor een algemene tendens. Moeders werden minder streng toegesproken. Ook het buitenshuis werken van moeders werd door enkele auteurs als een legitieme keuze beschreven. Het verschil tussen Amerikaanse en Europese opvoedingsvoorlichters wat betreft hun visie op de ideale ouder werd kleiner.

Van Spock's boek kwam in 1978 opnieuw een gewijzigde druk uit. Zijn opvatting over de rol van vader in het gezin bleek veranderd. Schreef hij in 1950 dat je vaders die niets voor kinderverzorging voelen niet moet forceren, sinds 1978 betoogt hij dat vaders even goed als moeders in staat zijn kinderen en huishouding te verzorgen. En dat niet alleen, hij acht het hun plicht: '... hun bijdrage verliest alle waarde als ze dit werk doen om hun vrouw een gunst te bewijzen, aangezien ze daarmee stilzwijgend te kennen geven dat het eigenlijk niet hun werk is maar alleen buitengewone edelmoedigheid van hun kant'. Spock vervolgt met aan te geven wat dit concreet voor vaders inhoudt: 'Wat de verzorging van de kinderen betreft, vaders kunnen de fles geven en vast voedsel voeren, luiers en kleren verschonen, tranen en neuzen afvegen, baden en naar bed brengen, verhalen voorlezen, speelgoed repareren, ruzies sussen, helpen bij het huiswerk, uitleggen waarom er bepaalde regels moeten zijn, taken opdragen en erop toezien dat ze worden uitgevoerd, tot de orde roepen en standjes uitdelen' (p. 56). Voor het huishoudelijk werk formuleerde Spock net zo'n lijst. Hij riep vaders op hun betrokkenheid bij hun gezin te tonen en zo andere vaders tot hetzelfde standpunt over te halen. Met dit expliciet creëren van een concrete rol voor vaders is Spock in deze periode een uitzondering.

Tips voor moeders
In de jaren '80 leek in het schrijven van voorlichters over ouders opnieuw een verschuiving op te treden. Het streven de opvoeders op te voeden is zo goed als verdwenen. Ouders worden geacht in staat te zijn zelf te bepalen wat hun opvoedingsdoelen zijn en wat voor vader of moeder ze willen zijn. Was eerder de opvoeding een verantwoordelijkheid voor de samenleving van de toekomst, in deze jaren leek het doel dat ouders en kinderen op een comfortabele manier in één huis kunnen leven. 'Gewoon' met elkaar omgaan is wat ouders met hun kinderen willen volgens de auteurs. Daarbij bieden zij hulp met wat ze zelf veelal 'praktische tips' noemen. Zo werd moeders geadviseerd voor peuters wat meer tijd te nemen en ze een beetje in de huishouding te laten helpen, 'dan kan dit misschien wel de gezelligste periode uit de kindertijd worden' (Coppens, 1984, p. 2). Terwijl de uitgave van boeken over opvoed'technieken' afnam verschenen allerlei nieuwe boeken die zichzelf als praktisch aanprezen. Titels waren bijvoorbeeld 101 praktische opvoedtips, De praktische gids onbezorgd opvoeden, Tips voor efficiënt ouderschap, etcetera (Herbert, 1987; Pearce, 1989; Touw, 1985). Als hulpmiddel werden methoden bruikbaar geacht die in het voorgaande decennium opgeld deden, maar dan op meer eclectische manier. In de voorlichting werd de persoon van de opvoeder weer meer belangrijk. Nu echter niet als een criterium, een moreel hoogstaande persoonlijkheid die een ouder zou moeten zijn, maar in die zin dat de methode die een ouder kiest bij hem of haar en zijn of haar wensen voor het gezinsleven moet passen. Of het een vader is of een moeder maakte volgens de voorlichters nauwelijks verschil. Het uitgangspunt van de meeste auteurs bleef echter dat moeders hun kinderen opvoeden en verzorgen en dat moeders hun lezerspubliek vormen. Geschreven werd soms dat de gezinssituatie in de praktijk anders zou kunnen zijn, maar dat dat voor de toepasbaarheid van de adviezen geen verschil maakt (o.a. Akkerman, 1994; De Vries-Tijsinger, 1984).

Vaders werden ook in deze jaren her en der aangespoord iets voor hun kinderen te betekenen. De mate van gedecideerdheid hierin varieerde: van de suggestie vaders voor de kinderen te laten zorgen als moeder af en toe een broodnodige vakantie neemt (Purves, 1993) tot de oproep aan vaders al voor de geboorte van het kind 'iets te regelen' op hun werk, zodat ze in de gelegenheid zullen zijn zorgtaken op zich te nemen (Bursteln, 1983).

Spock (vanaf 1978) was van mening dat vaders op een andere manier vaderen dan moeders moederen. Als uiting hiervan noemde Spock een andere stijl van leidinggeven. Hij kreeg op dit punt weinig navolging. Voor het zorgend vaderschap gold niet de specifieke inbreng die een vader kan leveren als argument. Belangrijker leek de praktische overweging dat moeders niet altijd al hun tijd beschikbaar kunnen of willen stellen aan het verzorgen en opvoeden van de kinderen en vaders daarom zulke taken van hen over kunnen nemen. De nadruk lag steeds op de boodschap dat als vaders zich met opvoeding bemoeien, ze dat net zo goed kunnen als moeders. Soms is er sprake van gewoonten of eigenschappen van vaders of moeders die zulk vaderschap in de weg zouden kunnen staan. Een aantal auteurs adviseerde die zaken aan te pakken. Bennink (1990) schreef bijvoorbeeld dat vader niet alleen huishoudelijk werk moet uitvoeren wanneer zijn vrouw hem dat heeft opgedragen maar dat hij moet leren het uit zichzelf op te pakken. Rosner (1986) richtte zich speciaal tot moeders waar hij schreef over kinderverzorging door vaders: 'Maar dan moeten de moeders ook een stukje van hun moederlijke rol aan de vaders prijsgeven' (p. 16). Andere auteurs accepteerden de situaties waarin vaders niet makkelijk tot zorgen voor de kinderen komen. Een soort 'bijna-net-zo-goed-als-mama-vaderschap' ontstond. Zo adviseerde Akkerman (1994) vaders af en toe een gesprek met hun kind te voeren. Al doen ze het onhandig en hebben ze maar weinig tijd, het kind zal toch hun goede bedoeling en meeleven voelen en daar draait het om.

Ook in deze periode zijn zo de opvoedingsboeken in het algemeen leesvoer voor moeders. Het speciale 'hoekje' ingericht voor de eventuele inbreng van vaders is uitgebreid met meer concrete mogelijkheden. Het is in dezelfde jaren dat opvoedingsvoorlichting begint te verschijnen die zich juist op de vaders richt.

Advies voor vaders
Vanaf het begin van de jaren '80 verschenen adviesboeken speciaal voor vaders. Opmerkelijk zijn hieronder de vele die zorgend vaderschap presenteren als iets waar mannen met de haren bijgesleept moeten worden. Auteurs schetsen vaders als mannen die zich verschrikkelijk generen voor hun bemoeienissen met hun kind en er bovendien bepaald ongeschikt voor zijn. 'Een van de meest ironische aspecten van het vaderschap is het feit dat het voeden van kinderen - een opgave die niet ellendig genoeg afgeschilderd kan worden - leidt tot nog meer luiers verschonen.' En dat luiers omdoen bleek enkele pagina's eerder al 'de meest gevreesde klus voor een vader' (Christenson, 1987, pp. 59, 47 ). De adviezen werden in de flapteksten als 'humoristisch aangeprezen. 'Dit boek praat over baby's op een manier die zelfs een vader kan begrijpen' (Little, 1990, flap). Auteurs wilden 'echte vader-onderwerpen' bespreken: 'Hoe valt u niet flauw tijdens de bevalling?, Uw baby is een meisje; wat nu?' (Antilogus & Festjens, 1993, flap).

Van Dam (1983) ergerde zich aan deze vorm. Hij en collega-auteurs schreven zichzelf meer serieuze pretenties toe. Van Dam schrijft tien jaar na de verschijning van de eerste druk van Een beetje zwanger over dat boek: 'Ik heb een pleidooi gehouden, (...) voor een grotere betrokkenheid van mannen bij zwangerschap en bevalling, (...) voor een zorgend vaderschap' (1993, p. 7). Rosen (1992) gaf als reden om zijn boekje over vaderschap te schrijven dat vrijwel alle boeken over kinderen en opvoeden voor vrouwen zijn geschreven, terwijl mannen er meer en meer mee te maken krijgen: 'Als mannen een even lange traditie bezaten in het zorgen voor (...) kinderen als vrouwen, zou een boek als dit nauwelijks nodig zijn. We zouden er gewoon met elkaar over praten' (p. 10).

De vader-voorlichters beschreven, vaak vanuit hun eigen ervaringen als vader, wat een vader zoal kan doen: alles wat moeders ook kunnen, behalve bevallen en borstvoeding geven. Ook werd aandacht besteed aan de speciale positie die zorgende vaders in hun sociale omgeving innemen. Zo schreef Rosen een stuk over kindjes met uitslag op hun gezicht. Naast de adviezen over wat je eraan kunt doen beschreef hij hoe vaders zich kunnen voelen tegenover de mensen op straat die denken: 'Nou, nou, als dat kind d'r moeder d'r voor zorgde zou ze gewoon gezond zijn' (p. 29).

De boodschap aan vaders in deze boeken is niet zozeer dat zij deskundigheidsbevordering nodig hebben, als wel dat een hart onder de riem gestoken krijgen goed voor hen zou zijn. Het bijzondere aan de vaders is niet dat zij iets kunnen toevoegen aan de opvoeding van hun kind, maar dat zij 'nieuwe vaders!' zijn, pioniers: 'Als je vader wordt gaat er een nieuwe wereld voor je open' (Van Dam, 1994, p. 1). Ontplooiing van jezelf lijkt het ultieme argument voor zorgend vaderschap.

Conclusie
Opvoedingsvoorlichters propageerden tot ongeveer 1970 een duidelijk ideaal van vaderschap. De vader achtten zij belangrijk in het gezin juist in zijn specifieke rol als vader. Die hield in dat hij weliswaar voor baby's en kleine kinderen niet veel kon doen, maar voor het gezin als geheel bepalend was door het voorbeeld van zijn man-zijn en door de manier waarop hij moeder ondersteunde in de gezagsuitoefening. Een belangrijke omslag in dit opzicht trad op vanaf het moment dat voorlichters meer concrete taken voor vaders gingen zien in verzorging en opvoeding. Hierbij werd het specifiek vader-zijn, onderscheiden van het moeder-zijn, nauwelijks meer aan de orde gesteld. Als redenen voor zorgend vaderschap fungeerden verlichting van de taak van de moeder en verrijking van het eigen leven. De uiteenlopende argumenten die vaders werden voorgehouden om hen ertoe te bewegen verantwoordelijkheid als vader op zich te nemen hebben een sterke onderlinge overeenkomst in vergelijking met de manier waarop moeders werden aangesproken: moeders hoeven niet te worden overgehaald. Voor hen is het opvoeden en verzorgen van hun kinderen geen keuze, ook geen plicht, het is en blijft een vanzelfsprekendheid.

Van 1945 tot ongeveer 1970 werd moeders voorgehouden dat zij zich dienden op te offeren aan man en kinderen. Later vonden voorlichters dat moeders buiten hun moederschap en huisvrouw-zijn ook andere activiteiten mochten ontplooien. Wanneer echter de keuze voor het krijgen van kinderen eenmaal gemaakt was, dienden de consequenties daarvan in de vorm van zorg- en opvoedtaken onder ogen te worden gezien. Activiteiten buitenshuis als betaald werk konden de goedkeuring van auteurs wegdragen zolang moeders het klaar zouden spelen om zorg voor en opvoeding van hun kinderen met dit werk te combineren. Een tweede punt waarop het oordeel van voorlichters over moeders veranderde was hun competentie. In de jaren '50 en '60 was het daarmee droevig gesteld volgens de auteurs. Sinds in de jaren '70 de nadruk in adviesboeken kwam te liggen op aan te leren vaardigheden, in plaats van op de moreel hoogstaande persoonlijkheid van de goede moeder, schreven voorlichters met meer vertrouwen over moeders. Hen werd niet langer voortdurend verweten dat zij door hun opvoedingsfouten de kinderen bedierven. Opvoeden bleef 'niet altijd makkelijk' en kinderen waren 'niet altijd leuk', maar met wat goede wil en oplettendheid was de gezelligheid wel in huis te houden. De boodschap voor moeders was dus: meer vrijheid en minder schuld.

Tussen de regels door echter leest men een heel ander verhaal. Het gezin dat de voorlichters beschrijven blijft namelijk hetzelfde, alle veranderende opvattingen ten spijt. 1950, 1970 of 1990, opvoedingsboeken gaan over kinderen die thuis wonen met een vader die de kost verdient en een moeder die voor ze zorgt en daar boeken over wil lezen. Tot ongeveer 1970 stelden auteurs de moeder expliciet als opvoedende persoon centraal. Vanaf 1970 presenteerden ze opvoedtechnieken die, zo blijkt uit hun voorbeelden, door moeders zouden moeten worden uitgevoerd. Ook tussen 1980 en 1995 richtten voorlichters zich in meerderheid tot moeders. Wanneer zij daarbij aangaven dat de adviezen eveneens door vaders toegepast zouden kunnen worden, kan dat twee dingen betekenen: of de auteurs gingen er inderdaad vanuit dat hun adviezen toepasbaar zijn in iedere kind-opvoedercombinatie; of de auteurs gaven zich geen rekenschap van het feit dat in een gezin waarin moeder fulltime thuis is en vader fulltime buitenshuis de kost verdient, de zorg- en opvoedingsbezigheden er heel anders uit zullen zien dan in een gezin waarin vader en moeder elk hun 'in- en uit- schema's', en minder duidelijk onderscheiden verantwoordelijkheden hebben. Hoe het ook zij, de boodschap die deze schrijvers, afgezien van hun woorden, aan moeders doorgaven is dat moeders best mogen kiezen hoe zij zorg voor en opvoeding van hun kinderen vormgeven, maar dat deze vrijheid begrensd wordt door het feit dat een en ander hun persoonlijke verantwoordelijkheid is. Adviezen hebben betrekking op de 'normale' situatie en die is dat moeders thuis zijn met de kinderen. Eenieder die het anders wil doen zal de problemen die dat oplevert zelf moeten oplossen. Zo bleef de norm onveranderd: het gezin valt onder de verantwoordelijkheid van de moeder, de vader kan van grote betekenis zijn mits hij dat zelf wil.

Op één punt zijn de rollen van vader en moeder in zekere zin wel omgedraaid: de twijfelachtige eer om de minst competente ouder te zijn werd vanaf de jaren '70 door de voorlichters niet langer aan de moeder maar aan de vader gegund. Probeerden de vader-voorlichters dit imago wat op te vijzelen, de stroom aan zogenaamde 'humor boekjes' over vaderschap doet twijfel rijzen aan de mate waarin zorgende vaders _serieus werden genomen door de auteurs van deze advisering.

De ideeën van opvoedingsvoorlichters over opvoeden door moeders en door vaders, blijken in de afgelopen vijftig jaar minder te zijn veranderd dan resultaten van het onderzoek naar veranderend ouderschap deden vermoeden. De verwachting dat de verschillen tussen eisen aan vaders en eisen aan moeders aanmerkelijk zouden zijn afgenomen werd niet geheel bewaarheid. Het lijken dan ook niet de adviezen van opvoedingsvoorlichters te zijn geweest die processen van verandering van de rollen van vaders en moeders instigeerden. De analyse van deze adviesboeken geeft vooralsnog eerder aanleiding het omgekeerde te veronderstellen: dat de adviezen van deskundigen aansloten bij tendensen in de praktijk van de gezinsopvoeding.

Literatuur
Bois-Reymond, M. du, Peters, E. & Ravesloot, J. (1990). Jongeren en ouders. Van bevelshuishouding naar onderhandelingshuishouding. Een intergenerationele vergelijking. Amsterdams Sociologisch tijdschrift, 7, 69-100.
Dam, A. van (1993). De ideale vader. Een zoektocht naar de essentie van het vaderschap. Utrecht/Antwerpen: Kosmos-Z&K Uitgevers.
Dekovi´c, M. & Rispens, J. (1998). Vaders en de opvoeding en ontwikkeling van kinderen: een inleiding. Kind en Adolescent, 19, 65-67.
Doornenbal, J. (1996). Ouderschap als onderneming. Moeders en vaders over opvoeden in de jaren negentig. Utrecht: Van Arkel.
Doornenbal, J. (1998). Voorstellingen van vaderlijk gezag. Kind en Adolescent, 19, 56-62.
Knijn, C.G.M. & Verheijen, C.M.L.H. (1988). Tussen plicht en ontplooiing. Nijmegen: ITSW.
Knijn, T. (1994). Heeft het vaderschap nog toekomst? Een theoretische verkenning van veranderingen in het vaderschap. Familia, 0, 7-24.
Knijn, T. & Nievers, E. (1996). Combineren en organiseren: de moeder als manager. Psychologie en Maatschappij, 20, 149-162.
Meeus, W. & Ter Bogt, T. (1997). Over het belang van theorie en intuïtie in de sociale Wetenschap. In S. Grotenhuis & J. van der Zwaard (red.), Kiezen voor kinderen. Gezin en beleid (pp.77-85). Utrecht: Elsevier/De Tijdstroom i.s.m. De Nederlandse Gezinsraad.
Plantenga, J. (1993). Een afwijkend patroon, honderd jaar vrouwenarbeid in Nederland en (West)Duitsland. Amsterdam: SUA.
Setten, H. van (1987). In de schoot van het gezin. Opvoeding in Nederlandse gezinnen in de twintigste eeuw. Nijmegen: SUN.
Swaan, A. de (1982 [1979]). Uitgaansbeperking en uitgaansangst; over de verschuiving van bevelshuishouding naar onderhandelingshuishouding. In A. de Swaan, De mens is de mens een zorg. Opstellen 1971-1981 (pp. 81-115). Amsterdam: Meulenhoff.
Bronnen
Akkerman, M. (1994) Handboek voor ouders. Opvoeden als ontdekkingsreis. Utrecht: A.W.Bruna Uitgevers b.v.
Andel-Ripke, O. van (1945). Bedreigde jeugd. Onder dwinglandij der driften. Utrecht: Erven J. Bijleveld.
Antilogus, P. & Festjens, J.-L. (1993). Gids voor de jonge vader. Zellik: Roulartabooks.
Bennink, E. (1990). De complete gids voor ouders. Praktische adviezen voor ouders van kinderen van 0-16 jaar. Ede/Antwerpen: Zomer en Keuning.
Bettelheim, B. (1965). Ken uw kind. Praktische adviezen bij de opvoeding van kinderen tot verantwoordelijke mensen. Amsterdam: A.J.G.Strengholt N.V.
Boer, J. de (1948). Naar de bronnen van het geluk, gedachten over gezinsopvoeding. Heemstede: De Toorts.
Bursteln, A.J. (1983). Mijn kind en ik, we zien het niet altijd zitten. Gesprekken met een psycholoog over twee- tot zestienjarigen. Baarn: Hollandia.
Chorus, A. (1947). Zuigeling en kleuter. Over de psychologie en de opvoeding van het kind vanaf de geboorte tot de schoolleeftijd. (5e druk) Heemstede: De Toorts.
Christenson, G. (1987). Het vaderschap gaat over rozen. Hazerswoude-Dorp: Mondria.
Coppens, T. (1984). Kind over de vloer, spelen is leren. Utrecht/Antwerpen: Het Spectrum i.s.m. Kinderen.
Dam, A. van (1983; 1994, 10e druk). Een beetje zwanger. Handboek voor vaders. Amsterdam: Bert Bakker.
Dreikurs, R. (1948). Hoe voed ik mijn kind op? Techniek van een opvoeding zonder dwang. (3e druk) Utrecht: Erven J. Bijleveld.
Ell, E. (1973). Waarom kinderen jokken, koppen en gappen. Serie de bibliotheek voor ouders en opvoeders dl.4. Antwerpen/Utrecht: Uitgeverij de Nederlandse Boekhandel.
Foppema, Y., Daalder, D.L. & Daalder-Oversteegen, H. (z.j.). Hoe moet ik met mijn kind? Baedeker voor de huisvrouw deel 8 en 9. Den Haag, Antwerpen: Nederlandse Boekenclub.(Dit boek verscheen in verschillende edities tussen 1953 en ongeveer 1975).
Hart de Ruyter, Th. (1959). Moeders en kinderen, ABC der opvoeding dl.2. Nijkerk: Callenbach.
Herbert, M. (1987). De praktische gids onbezorgd opvoeden. Baarn: Bosch en Keuning.
Heyster, S. (1957). Levende opvoedkunde ten dienste van kleine en grotere kinderen. Leiden: Nederlandse Uitgeversmaatschappij BV.
Ilg, F. & Bates Ames, L. (1955). Kinderen in hun doen en laten. Lochem: Tijdstroom.
Knoop, M. (1962). Omgang met kinderen. (3e druk; 1e druk 1960) Utrecht/Antwerpen: Prisma boeken.
Kohnstamm, R. (1973). Kind, kind... Gedachten en adviezen over praktische opvoedingssituaties. Ouders van Nu boek. Den Haag: Bakker.
Kok, W. de (z.j.). Moeder worden... . Apeldoorn: Zwitsalfabrieken.
LeShan, E.J. (1966). Opvoeden is geen ramp. Ook ouders hebben rechten. Amsterdam: Van Holkema & Warendorf.
Leuven, P. van & Wassenaar, E. (1977). Grote problemen met kleine mensen. Nijmegen: Dekker & Van de Vegt.
Little, P. (1990). Het babyboek voor vaders. Hazerswoude-Dorp: Mondria.
Londen, A. van, Biloen, A., Cladder, H., Leuvelink, J. & Londen, M. van (1979). Vaardigheden voor ouders. Een werkboek met oefeningen en principes vanuit de Rogeriaanse therapie, gedragstherapie en rationele therapie voor het oplossen van problemen met kinderen. Lisse: Swets & Zeitlinger.
Mosimann, W.P. (1959). Zo is de jeugd..., vragen uit het dagelijks leven over opvoeding. Zwolle: La Rivière en Voorhoeve.
Pearce, J. (1989). 101 praktische opvoedtips. Nijkerk: Intro.
Purves, L. (1993). De kunst (g)een perfect kind te hebben. Ede/Antwerpen: Zomer en Keuning.
Rosen, M. (1992). Hamburgers zijn dooie koeien hè pap? Handleiding voor het vaderschap. Houten: Van Holkema & Warendorf.
Rosner, J. (1986). Zin en onzin in de opvoeding. Amsterdam: Ploegsma.
Rutten, Th. & Carp, E.A.D.E. (1948). Het huisgezin en de geestelijke volksgezondheid. RKCV.
Spock, B. (1950). Baby- en kleuterverzorging. (Herziene 9e druk: 1959; herziene 22e druk: 1970; herziene 31e druk: 1978 onder de titel Baby-en kinderverzorging.) 's Graveland: De Driehoek.
Touw, K. (1985). Als er kinderen komen. Tips voor efficiënt ouderschap. Tielt/Weesp: Lannoo.
Vries, B. de (1960). Van luier tot leesplank. Uit het dagboek van een kleutermoeder. Amsterdam: Meulenhoff.
Vries-Tijsinger, E. de (1984). Van schoolrijp tot schoolwijs, over het alledaagse leven van schoolkinderen. Utrecht/Antwerpen: Het Spectrum, Prisma Welzijn.


Noten
[1] Met dank aan Nelleke Bakker voor haar commentaar op eerdere versies van deze tekst.
[2] Deze overgang is geïntroduceerd door De Swaan (1979). Zie ook Meeus en Ter Bogt (1997).
[3] Dit artikel is de neerslag van explorerend onderzoek naar opvoedingsvoorlichting in Nederland (1945-heden). Het totaal aantal in Nederland uitgegeven opvoedingsadviesboeken voor ouders bedraagt ongeveer 500 titels (bron: Brinkman's cumulatieve catalogus). Van de onderzochte boeken zijn in de bronnenlijst alleen die titels opgenomen waaraan in dit artikel direct gerefereerd wordt.
[4] Een aantal malen heeft Spock zijn bestseller gereviseerd. Herzieningen zijn in de Nederlandse vertalingen doorgevoerd in de 9e druk uit 1959, de 22e druk uit 1970 en de 31e druk uit 1978. Deze edities en de eerste druk zijn onderling vergeleken.